1. Ga naar navigatie
  2. Bekijk inhoud van de pagina
  3. Ga naar zoeken

Interne leefomgeving ouderen

 

Kwaliteit van de interne leefomgeving van ouderen in zorginstellingen en kleinschalige woonvormen

 

In veel gebouwen is de kwaliteit van de interne leefomgeving (waaronder temperatuur, tocht, licht, geluid, geur) onvoldoende. Een slechte leefomgeving kan negatieve effecten hebben op de gezondheid van bewoners. Dit is vooral het geval bij niet- en semi-zelfstandig wonende ouderen, doordat zij een relatief zwakke en minder gezonde groep vormen binnen de algemene bevolking.

 

Het doel van het onderzoek was om meer inzicht te krijgen in de kwaliteit van de interne leefomgeving van ouderen in zowel zorginstellingen als kleinschalige groepswoningen. GGD Gelderland-Midden heeft in de periode november 2013 tot februari 2014 metingen naar het binnenmilieu in negen zorginstellingen in de regio verricht. Naast de metingen is aan 17 bewoners gevraagd naar hun beleving van het binnenmilieu, en hebben 108 medewerkers een vragenlijst over het binnenmilieu ingevuld.

 

Negentig procent van de geïnterviewde bewoners (15 van de 17 bewoners) brengt 95% van hun tijd of meer binnenshuis door. Uit de gesprekken met bewoners blijkt dat zij over het algemeen tevreden zijn over hun interne leefomgeving, waaronder het thermisch comfort en de luchtkwaliteit. Negen bewoners ervaren wel enige belemmering bij het ventileren of verwarmen. Zij krijgen de ramen niet open, omdat deze te zwaar zijn of klemmen. Of de thermosstaatknop van de radiator is moeilijk te bedienen, omdat deze heel laag bij de grond zit.

 

Uit de resultaten blijkt dat de luchtkwaliteit in de gemeenschappelijke huiskamers dient te worden verbeterd. Dit geldt met name voor de ruimtes die afhankelijk zijn van natuurlijke ventilatie. De ruimtes worden overdag gebruikt door meerdere bewoners die in verband met (angst voor) koude en tocht over het algemeen niet willen dat ramen of roosters open worden gezet. Daarnaast kan in een aantal zorginstellingen de temperatuur, met name ’s nachts, lager (op 21°C) worden ingesteld. Dit bespaart energie, heeft een positieve invloed op de luchtvochtigheid en komt mogelijk ook de nachtrust van de bewoners ten goede.

 

Geïrriteerde ogen was de meest gemelde gezondheidsklacht (5 van de 17 bewoners). Mogelijk speelt de lage relatieve luchtvochtigheid in combinatie met de relatief hoge binnenluchttemperatuur en de volle kamers, die lastig stofvrij zijn te houden, hierbij een rol. Vooral in de mechanisch geventileerde instellingen is de luchtvochtigheid te laag (<30%RV).

 

Hoewel het aantal onderzochte zorginstelling erg klein was lijken er geen verschillen in de kwaliteit van het binnenmilieu tussen grote zorginstellingen en kleinschalige woonzorgvoorzieningen. De kwaliteit van het binnenmilieu, zowel het thermisch comfort als de luchtkwaliteit, wordt bepaald door de aanwezige installaties en/of de mogelijkheden voor natuurlijke ventilatie, inclusief het gedrag van de gebruikers. De GGD adviseert zorginstellingen om zowel in geval van mechanisch als natuurlijk geventileerde ruimtes medewerkers (of bewoners) te informeren en waar nodig te instrueren over hoe zijn de ruimtes het beste kunnen verwarmen en ventileren.

 

Contactpersoon: team Milieu en Gezondheid, GGD Gelderland-Midden

 

Zie ook het eindrapport, de factsheet en de presentatie.


Je hebt javascript niet aan staan, of je browser ondersteunt geen javascript.

Deze website komt beter tot z'n recht wanneer javascript beschikbaar is. Ook Flash is niet beschikbaar zonder javascript.